Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2006


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2005-2006. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2007  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 132]

Dr. Wijnaendts Francken-prijs 2006
Dankwoord door Arianne Baggerman en Rudolf Dekker

Geachte aanwezigen,

 

Het komt niet vaak voor dat twee schrijvers samen een literaire prijs krijgen voor een boek. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft de dr. Wijnaendts Francken-prijs zelfs nooit eerder aan twee auteurs toegekend. De lijst gelauwerden vanaf 1934 omvat een illuster gezelschap: Annie Romein-Verschoor, Jacques Presser, A.Th. van Deursen, Frits van Oostrom, om maar een paar grootheden te noemen, maar het zijn allemaal eenlingen. De kwestie wie van ons tweeën het dankwoord mag uitspreken is dus een tamelijk uniek probleem dat vraagt om een ongebruikelijke oplossing. Nu hebben we in de afgelopen jaren al de nodige ervaring met het delen van een te vroeg overleden kind van de toekomst opgedaan. Dat begon al tijdens het schrijven en nam nog toe na de publicatie van ons boek, dat een jaar geleden werd gepresenteerd tijdens een symposium over kinderen en autobiografisch schrijven. Dat vond plaats in het Amsterdamse Felix Meritis, dat net als de Maatschappij een levende herinnering is aan de eeuw van Otto van Eck. Ons in 1781 geboren ‘kind van de toekomst’ en de hoofdpersoon van ons boek, had in die tempel der Verlichting zelf een concert bijgewoond en schrijft daarover enthousiast in zijn dagboek. Op de terugweg met de trekschuit naar Delft hadden Otto en zijn vader in Leiden gepauzeerd om een kopje thee met een bevriende hoogleraar te drinken. Ook hier heeft hij dus rondgelopen. Met de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die enkele jaren eerder was opgericht, was hij ongetwijfeld bekend, al was het maar omdat zijn lievelingsoom, Pieter Paulus, die nauw bij zijn opvoeding betrokken was, tot de leden van het eerste uur behoorde.

Aanknopingspunten waren er dus voor ons genoeg, maar er bleef een ander probleem. Lezingen over ‘onze’ Otto deden we zoals het uitkwam, om de beurt of samen, de een de plaatjes, de ander de tekst of de een schreef een tekst en de ander hield de lezing, alle varianten zijn door de jaren heen beproefd. Onze samenwerking gaf zo de nodige flexibiliteit. Organisatoren van congressen, symposia of literaire avonden werden dan ook regelmatig verrast met wisselingen op het laatste moment, de mannelijke spreker uit het programmaboekje bleek plotsklaps van het vrou-

[p. 133]

welijk geslacht of andersom. Nu we door de dr. Wijnaendts Francken-prijs een kroon krijgen op het eindproduct van al dit samenwerken is de afweging lastiger.

We zijn het de afgelopen tien jaar zelden met elkaar eens geweest - wel over de hoofdlijnen van het boek, compositie en visie - nooit over de werkwijze. Ook ditmaal werden we het eens over de hoofdlijnen: we willen de jury van harte bedanken voor hun keuze voor ons boek en voor het prachtig geschreven juryrapport, een betere samenvatting zouden we zelf niet kunnen schrijven. We willen ook allebei de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bedanken die de prijsuitreiking heeft georganiseerd. Aandacht verdienen wederom de mensen die ons hebben geholpen tijdens het schrijven, teveel om hier op te noemen en al bedankt in ons boek, van wie velen hier aanwezig zijn. In dit korte praatje moest, vonden we allebei, ook aandacht zijn voor dr. Wijnaendts Francken. Zonder hem was er helemaal geen prijs geweest. Deze vooruitziende filantroop heeft in zijn boek Aphorismen, uitgegeven door de aloude Wereldbibliotheek - ook onze uitgever - alvast een toepasselijke uitspraak opgenomen: ‘Geschenken aannemen brengt verplichtingen met zich’. Maar Francken was gelukkig ook wars van overdreven plichtplegingen, want op een andere plaats schrijft hij: ‘De stijfste menschen maken de diepste buigingen’. Ook over de juiste houding waren we het dus snel eens geworden, maar nu restte ons nog de taakverdeling. We besloten het dankwoord niet alleen samen te schrijven, maar ook afwisselend samen uit te spreken.

In ons dankwoord moesten we ook op een ander terrein laveren, namelijk in het schemergebied tussen dankbaarheid en nederigheid. We besloten weer een van Franckens aforismen als uitgangspunt te nemen voor een korte beschouwing:

‘In zijn beoordeeling van historische personen kan de geschiedschrijver, ook al streeft hij naar de striktste rechtvaardigheid, nimmer geheel zijn eigen persoonlijkheid verloochenen’.

De jury lijkt van hetzelfde gevoelen. In het juryrapport wordt immers opgemerkt: ‘Arianne Baggerman en Rudolf Dekker schrijven met een aanstekelijk enthousiasme, als waren ze bezield door hetzelfde elan van personages die zij op de voet volgen’.

Als dat nu zo is, terwijl het boek toch door twee zeer van elkaar verschillende karakters is geschreven, wiens persoonlijkheid en wiens elan vinden we dan weerspiegeld in Kind van de toekomst? Hier begonnen onze meningen uiteen te lopen. De een meende dat het ging om het ongebrei-

[p. 134]

delde optimisme in een maakbare wereld, want daarover gaat het boek uiteindelijk, met andere woorden het elan van Otto's vader, het brein achter Otto's zo verantwoorde, Verlichte opvoeding. De ander prefereerde een identificatie met Otto en zijn subversieve neigingen. Maar uiteindelijk voelden we ons beiden niet thuis in deze tweedeling. Nee, hoe prachtig het ook is geformuleerd in het juryrapport, wij waren niet bezield door hetzelfde elan waarmee de hoofdpersonen in Kind van de toekomst aan het eind van de achttiende eeuw meenden een nieuwe, door mensen beheersbare wereld tegemoet te gaan: een utopie die even werkelijkheid leek te worden. Helaas waren we dat niet. Eerder nog waren we, toen we ervoor kozen de geschiedenis van Otto en zijn ouders te reconstrueren, bevlogen door het tegenovergestelde van utopische verwachtingen, namelijk gevoelens van nostalgie, het verlangen naar een wereld die onherroepelijk verloren is gegaan. In dit geval was dat meer precies een terugverlangen naar een utopisch gedachtegoed - het maakbaarheidsideaal - dat in Otto's tijd begon door te dringen, en dat de basis vormt voor onze moderne samenleving. Het is een ideaal dat een meer recent hoogtepunt heeft beleefd in de zestiger jaren van de twintigste eeuw. Maar ook toen werden de grenzen van de menselijke maakbaarheid al snel zichtbaar. En inmiddels dreigt het hele idee aan globalisering ten onder te gaan. Wie gelooft er tegenwoordig nog in een maakbare samenleving? Dit is wel een heel somber einde voor een dankwoord tijdens deze feestelijke bijeenkomst.

Hebben we daarom, en dat is een gewetensvraag, Otto's vader aan het begin van het verhaal meer optimisme ingeblazen dan hij had en hem aan het eind met meer desillusie opgezadeld dan waaronder hij werkelijk gebukt ging? Dat is mogelijk. Aan de andere kant ging onze arm niet zo ver dat wij Otto na de bewust verantwoorde verlichte opvoeding die hij had gekregen konden laten sterven voordat hij volwassen werd. Evenmin hebben we Lamberts handschrift vervalst, zelfs niet toen hij in gevangenschap schreef dat hij alle filosofie had verloren. Kunstgrepen uit het repertoire van de literaire non-fictie hebben we bewust niet toegepast. In het juryrapport lazen we dat de familie Van Eck ‘zo levensecht en zo nabij is, alsof de tijd is stilgevallen’. Dat is een compliment dat we beiden erg waardeerden, want het geldt voor veel historici - meestal heimelijk - als het hoogst haalbare. Maar ter relativering willen we Wijnaendts Francken het laatste woord geven met het volgende aforisme:

‘Iedere geschiedschrijving draagt een onvolkomen en hypothetisch ka-

[p. 135]

rakter door de onzekerheid omtrent de ware motieven der verrichte handelingen. Konden de dooden nog spreken en getuigen, hoe anders zou dikwijls de geschiedschrijving uitvallen’.

Wij danken u voor uw aanwezigheid en uw belangstelling.