Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2000


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1999-2000. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2001  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 153]

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2000
Dankwoord door Erwin Mortier

Geachte leden van de Maatschappij,
Geachte leden van de jury,
Dames en Heren,

 

Toen de Heer Van Maris, secretaris van dit genootschap, me enkele weken geleden het heuglijke nieuws meldde dat ik vereerd werd met de Van der Hoogt-prijs, liet hij me bij die gelegenheid ook weten dat de gelauwerde geacht werd een dankwoord uit te spreken.

‘Daarin kunt U’, zei hij me, ‘eigenlijk alles kwijt wat U maar op het hart ligt.’

Ik heb toen even heel diep in dat hart van mij gekeken, en na rijp beraad besloten u niet meteen lastig te vallen met wat daar zoal rondslingert. Vandaag is het vooral vervuld van dankbaarheid. Ik dank de leden van jury om de eer, nu zij mijn naam toevoegen aan de lange lijst van wie voor mij met deze prijs werden bekroond.

Mijn grote dank gaat verder uit naar Marianne de Baere en Marijke Libert, die me op 28 november 1997, louter per toeval bij uitgeverij Meulenhoff naar binnen hebben getelefoneerd. Had die dag hun mobiele telefoon uitgestaan, dan stond ik vandaag hier niet voor U.

Ik dank Wil Hansen, vriend en redacteur, voor zijn kunde, zijn gevoeligheid en de toewijding waarmee hij de geboorte van mijn eersteling heeft begeleid.

Mijn dank gaat naar mijn ouders, die de zeldzame gave bezitten om uitbundig hun geluk in dat van hun kinderen vermeerderd te zien.

Ik dank mijn vrienden voor hun rust en hun warmte.

Niet het minst dank ik ook mijn man, die me al elf jaar steun en sterkte biedt, me koestert en troost, en me ook geduldig weet te verdragen op die gruwelijke dagen dat de Muze kennelijk andere besognes heeft dan het inspireren van een debutant.

 

Vorig jaar rond deze tijd bracht ik mijn laatste werkdagen door in het Gentse Museum Dr. Guislain, waar ik bijna tien jaar heb gewerkt. Ik had er mijn bureau vlakbij de bibliotheek. Zo vlakbij zelfs, dat wanneer ik me onder het werken uitrekte op mijn stoel mijn vingers enkele van de ruggen

[p. 154]

raakten die achter mijn eigen rug waren opgetast.

Het was bijna juni, het museum zou de komende weken in een zomerse winterslaap verzinken, met rustige dagen waarop ik volop de tijd zou krijgen om tussen de rekken te verdwijnen, oude boekbanden open te slaan en me onder te dompelen in hun verhaal.

Er zat van alles tussen. Achttiende-eeuwse traktaten over mentale aandoeningen. Vuistdikke verhandelingen over de grillen van zwangere vrouwen en wat eraan te doen. Atlassen met alle windingen van ons brein en hun Latijnse namen. Recepten voor kruidenmengsels. De zalf waarmee heksen kunnen vliegen. Hoe een mandragora te plukken zonder zelf gek te worden. Hoe de duivel uit te drijven.

Circa twintigduizend banden, en toch maar een minieme fractie van al het geschrevene, het ruisende discours van de mens op weg door de donkere tijd.

 

Toen ik Marcel aan het schrijven was, waren er dagen dat ik de aanblik van een bibliotheek amper kon verdragen, met al die boeken, schouder aan schouder op de planken. Niet van plan, zo leek het, om een eindje op te schuiven en mijn eigen werkstuk tot hun rangen toe te laten. Dagen waarop ik me afvroeg wat ik in godsnaam nog aan die stapel papier, die oceaan van drukinkt toe te voegen had.

Maar er waren ook dagen dat ik uit die ruggen een vaderlijk gefluister meende te horen opstijgen. Bemoedigende woorden die me herinnerden aan de verrukking die ik voelde toen ik pas kon lezen en verwonderd aanhoorde hoe andere stemmen dan de mijne in mezelf werelden openden die ik niet eerder had vermoed.

Marcel is ook een blijk van hulde aan die auteurs wier stem sindsdien onvervreemdbaar deel uitmaakt van de vezels van mijn ziel. Gilliams. Benjamin. Shulz. Claus... Waarom niet?

Marcel snijdt een thema aan dat niet nieuw is in de Vlaamse literatuur, ik weet het, maar waarom zou ik niet eerbiedig een gebaar maken naar het verleden, naar de traditie, en tegelijk een stuk persoonlijk verleden zijn laatste rustplaats bieden, het waardige afscheid dat ieder mens, louter door zijn geboorte en het feit dat hij moet sterven, verdient.

 

Misschien is Marcel vooral een verhaal over de uiteindelijke stilte die altijd weer door de rafels van onze taal weet heen te breken, hoe rijk of beeldend die taal verder ook mag zijn. Een verhaal over die momenten waarop

[p. 155]

de wereld in zijn traumatische rauwheid voor ons opdoemt, en waar onze woorden als druppels van afglijden.

Ik hoop niettemin dat Marcel voor wie die rauwheid zoveel meer dan ik aan den lijve heeft ondervonden al die jaren nadien een warme jas mag zijn, een mooie jurk die de ergste kilte op afstand houdt en de zwaarste pijn verzacht.

 

En wat mezelf betreft, toen ik besefte dat ik mijn debuut alleen goed kon schrijven door het als een tactiel weefsel over heel veel zwijgen te draperen, omdat er behalve dat zwijgen in wezen niet veel te vertellen viel, toen verdween gaandeweg ook mijn angst voor bibliotheken.

Alle boeken, in elk geval de beste, draperen hun verhaal rondom heel veel stilte, zonder haar ooit volledig te kunnen bedekken. Er zal altijd plaats zijn op de planken. De hele literatuur past nog altijd heel precies op het puntje van onze tong.

 

Ik dank u.